Veracht, geslagen,
zijt Gij zonder vragen,
deze weg gegaan.
Bleef zonder klagen,
voor "de vierschaar" staan.
Een doornkroon op Uw hoofd,
van glans en eer beroofd,
als "Man van smarten".
Wij, die hebben geloofd,
versteen niet onze harten.
Een rieten staf,
die men U gaf,
ten spot en hoon.
Behandeld, ruw en laf,
o God, Uw eigen Zoon.
Een koningsmantel, die U sierde,
terwijl de menigte tierde;
"Kruisig, ja kruisig Hem !!".
't Sanhedrin zijn feest reeds vierde,
verhief Gij niet Uw stem.
O, zie mij in gebed,
Gij, die de zielen redt.
O Heil, met spot doorboord,
o nieuw verbond en wet,
mijn Koning, en mijn Levenswoord.
Dat eens, Uw liefde ons wekt.
Uw dood, ons tot weldaad strekt.
Uw mantel, in bloed doordrenkt,
ons als "Mantel der Liefde" bedekt,
ons weer de vrede brengt